Na het lezen van het opiniestuk van Mirelle Thijssen had ik
mij voorgenomen een reactie te schrijven, maar ik merkte na een uur vruchteloos
typen dat mijn vingers roerloos boven het toetsenbord bleven hangen. Waarop wil
ik eigenlijk reageren? Behalve een opsomming van wat er op verschillende
websites en in diverse studiegidsen staat, blijft het behoorlijk gissen wat
Thijssen eigenlijk beoogd. Ze beschuldigd het ‘establishment’ van ‘tunnelvisie’
maar geeft verder geen uitleg wat die tunnelvisie precies behelsd. Ook haar
bewering dat de documentaire fotografie behandeld wordt als ware het een dodo
en dat het ten koste gaat van andere fotografiestromingen snijdt geen hout. Dit
strookt niet met de ontwikkelingen van de laatste jaren, waarin je juist ziet
dat de termen ‘autonoom’, ‘documentair’ en ‘geënsceneerd’ opnieuw worden
gedefinieerd. Verder probeert Thijssen een lans te breken voor een steviger
theoretisch fundament binnen het (hoger) onderwijs en geeft een aantal
aanbevelingen, o.a. voor meer scholing over fotografie in het voortgezet
onderwijs en een samenhangend aanbod van professionele en wetenschappelijke minors. Zeer nobel, maar ook hier gaat
ze voorbij aan de ontwikkelingen van de laatste jaren. Nog niet zo lang geleden
heeft de commissie Dijsselbloem een aanbeveling gedaan
dat het voortgezet onderwijs gevrijwaard moet blijven van allerlei
onderwijsvernieuwingen en zich vooral moet richten op de kerntaken. Het
zoveelste lespakket, hoe goed samengesteld ook, is weer een pakket erbij. Het
voortgezet onderwijs wordt zo langzamerhand knettergek van alle goedbedoelde
pakketten en wil maar één ding: met rust gelaten worden en lesgeven.
In haar opsomming van het huidige aanbod op een aantal
hogescholen probeert ze door middel van quote’s uit de verschillende
studiegidsen te duiden wat de opleiding daadwerkelijk beoogd. Nu zijn
studiegidsen volgens mij niet de manier om hier inzicht in te krijgen, want ik
worstel elk jaar weer om de inhoud van de opleiding op een A4-tje te krijgen
wat vaak resulteert in een summiere en vrij zouteloze tekst. Haar constatering
dat het NFM de ‘reddingslijn’ is met de beroepspraktijk raakt werkelijk kant
nog wal. Het NFM is slechts een van de (belangrijke) partners in het
fotografische werkveld, niet meer en niet minder. Kortom, er zitten nogal wat
hiaten en gaten in het stuk.
Ik was bijzonder geprikkeld door haar uitleg over
documentaire fotografie en de categorie ‘conceptual documentary’. Nu ben ik
absoluut geen theoreticus, dus misschien heb ik iets gemist, maar ik ervaar het
als weer een nieuwe loot aan de fotografische vocabulaire, die zo langzamerhand
topzwaar begint te worden. Wanhopig proberen we grip te krijgen op een
beeldcultuur die zo snel aan het veranderen is dat de taal er zelfs geen vat meer
op heeft. Altijd lastig voor wetenschappers en onderwijsgevenden, die duiding
zoeken vanuit het verleden en referentiepunten nodig hebben om het heden uit te
leggen. Ook in de huidige onderwijspraktijk is het gehamer op referenties niet
van de lucht, karrenvrachten boeken worden door de vakdocenten mee naar school
gesleept om de studenten kennis te laten maken met wat er al gedaan is. Altijd
wordt er geklaagd over het gebrek aan kennis over fotografische stromingen en
kunsthistorische kennis van onze studenten. Nu wil ik dit niet bagatelliseren,
maar ik moet de eerste docent, nu en in het verleden, nog tegenkomen die
volkomen tevreden is over het referentiekader van studenten. Het is een
generatie- en kenniskloof die nauwelijks te dichten is: mijn toenmalige
docenten hebben net zo geklaagd over onze lichting als ik nu doe op de huidige
en ongetwijfeld zullen over 10 jaar de huidige studenten klagen over de
generatie die dan de hogescholen en universiteiten bevolkt. Ondertussen
proberen onze studenten zich aan de ene kant te ontworstelen aan de
geschiedenis en binnen de kaders van hun eigen verbeelding en fantasie een
wereld te laten zien die misschien niet strookt met de huidige terminologie,
maar wel met de wereld van vandaag. Elke keer moeten we weer uitleggen dat
‘documentair’ niet betekent dat ze moeilijke minderheidsgroepen hoeven te
fotograferen in buitenwijken, maar de huidige maatschappij en de ontwikkelingen
daarin als vertrekpunt nemen voor hun verbeelding. Tegelijkertijd willen we ze
kennis laten maken met de context en kaders van de heersende opvattingen binnen
de fotografie, om zo te leren zichzelf te plaatsen in het werkveld, zowel
beroepsmatig als beeldend.
Er wordt de laatste tijd (vanwege de crisis?) weer flink
gerammeld aan de deuren van het kunstvakonderwijs. Plasterk stuurt brieven,
de Tweede Kamer reageert weer
en kunstenaars spreken hun ongenoegen uit.
Naast het ontwikkelen van je kunstenaarschap (al geen geringe opgave!) moet je
als student ook nog even cultureel ondernemer worden en je theoretische kennis
op orde hebben. En dat allemaal in 4 jaar, terwijl je hormonen ook nog eens
door je lijf gieren. Elke dag proberen we hier als docenten vorm aan te geven,
terwijl de besturen van onze instituten in onze nek hijgen met studentenquota
en bekostigingsplannen. Ook geen geringe opgave...
De oproep van Thijssen voor een goed discours verdient brede
steun, alhoewel ik twijfel of we er toe in staat zijn. Verschillende mensen
hebben de laatste tijd geprobeerd de discussie rondom het kunstvakonderwijs
vlot te trekken, maar te vaak verzandt de discussie in persoonlijk gekissebis,
zoals ook nu weer te lezen valt in de reacties op deze site. Misschien is
internet niet het medium wat hiervoor gebruikt moet worden, maar moet er vanuit
de universiteiten en hogescholen een peer
reviewed tijdschrift worden gepubliceerd, wat een platform kan bieden
hiervoor, in samenwerking met andere organisaties (FW: en FOTODOK?). Volgens
mij zijn er genoeg mensen te vinden (Foster, Elkins, Dikovitskaya, Wells &
Edwards bijvoorbeeld?) die hier een bijdrage aan zouden kunnen leveren. Laten
we de discussie op een hoger en dieper niveau verder voeren.